|
T |
ot de ganzevoet-, amarant- en duizendknoopfamilie horen niet direct hoogvliegers wat betreft bloemenpracht. Veel sierlijker zijn in elk geval lamsoor, Engels gras en de recent weer opgewaardeerde pioen.
Aan de kust groeit in de schorre her en der zeekraal. Bij vloed kruipt dus af en toe wel eens een krabbeje tussen dit krabbekruid of krabbekwaad.
De bloementros van de amarant doet denken aan een hanepoot of aan een dierenstaart:
|
|
haneklauw, kattesteerten, vossesteert, vossest(j)e(r)t en lammersteert.
De wat meelachtig bestoven bladeren van sommige ganzevoetsoorten of dauwkolen worden graag door insecten aangevreten. Andere soorten blijken onaangenaam te geuren: stinkmelde, bokkenkruid, stinkende hering en zelfs kuttenkruid en schaamkruid. De mooi afhangende, driehoekige blaadjes van de brave hendrik doen denken aan lammekensoren. Volgens sommigen vertakt deze ganzevoet zich als een meiboom.
Veldzuring of seulker, surkel, zurkel, zoerkruid, zuurkruid, ... werd omwille van zijn zure smaak zelfs azijn genoemd. In de tuin gekweekte
zuring kende men als hofsulker, hofzurkel of lochtingsulker. In het Waasland kennen we de zuring uiteraard als koekeleute.
De bladeren van de forse ridderzuring doen denken aan kalverblaren en kalvertongen. De dikke wortel is vettig als spek (spekwortels) en tevens lang en bruin (patersstok). De plant werd gebruikt tegen « brobbelen», een vorm van puisten met uitslag: bordellewortel, bretelleblad. De paardezuring groeit graag in vochtig grasland waar het krioelt van de kikvorsen: meerschsurkel, venscheblaren.
Het zeer algemene perzikkruid en de zeldzame adderwortel werden met wat wijn gedronken om beten van slangen en adders te genezen: adderwuttel, slangenkruid. In het Waasland kende men deze wat rood aanlopende planten als roods, reds en smert. De roodachtige vlekjes of traantjes op de bladeren leidde tot Ons-Heren-traantjes. Een oude volkswijsheid leen zelfs : “ Ons-Heren-Traanjes met wat wijn, verdrijft des adders fel venijn”.
De naam boekweit is wellicht afgeleid van beukweit. De vruchtjes zijn ietwat driekantig als die van de beuk en werden tot meel (weit) verwerkt. En zeg nu zelf, wie heeft bij het lezen van dit artikel geen trek in een lekkere beukweitpannenkoek?
|
|
Lamsoren kennen we uiteraard allemaal als de bekende Zwinneblommen. Ook Engels gras hoort van nature thuis in het kustgebied. Toch wordt deze grasbloem, gersblom, Spaans gras of grasanjelier veelvuldig gekweekt als tuinplant. Reeds lang werd dit pastoorsgers overvloedig aangeplant in de vaak mooi verzorgde pastorijtuinen.
Ook met de pioenen
blijven we in katholieke sferen: deze balroos
was ook goed gekend als kerkeroos en
als Schinksenroos (Schinksen = Sinksen).
De laatste naam was vooral ingeburgerd aan de kust. Zo vermeldt een document
uit 1840 “dat men te Nieuwpoort bloemblaadjes
van de Schinksenroos door de gaten van de gewelven der kerken liet nedervallen
over 't volk, ter gedachtenisse van de vurige tongen die op dien dag over de
apostelen daalden».
Overzicht
Vermelde families en soorten:
Chenopodiaceae
(Ganzevoetfamilie): Zeekraal (Salicornia
europaea) en Ganzevoet (Chenopodium
spec.)
Amaranthaceae
(Amarantfamilie): Amarant (Amaranthus)
Polygonaceae
(Duizendknoopfamilie): Zuring (Rumex
spec.), Perzikkruid (Polygonum
persicaria) en boekweit (Fagopyrum
esculentum)
Plumbaginaceae
(Strandkruidfamilie): Lamsoor (Limonium
vulgare) en Engels gras (Armeria
maritima)
Paeoniaceae
(Pioen-familie): Pioen (Paeonia spec.).
Vlaamse volksnamen (onderlijnd: o.a. in Waasland en directe omgeving)
- Zeekraal: krabbekruid, krabbekwaad
Ganzevoet : dauwkolen, bollebaat, kallebout, malem, malik, (wilde) mel(uw), meiboom, kruipmel, luismelde, stinkmelde, bokkenkruid, stinkende hering, kuttenkruid, schaamkruid, lammekensoren, verkesgras, verkensklaver, verkenskruis, zwijngčs
- Amarant: haneklauw, kattesteerten, vossesteert, vossest(j)e(r)t, lammersteert, gestreepte tingel, schone tingel
- Veldzuring: azijn, zoerkruid, zuurkruid, zurkel (+ vele afgeleide namen), hof(s)(z)urkel, kaatzurkel, lochtingsulker, koekeleute
- Schapezuring: koezoeler, schaapssuiker, Wilde suiker, Wilde sorel
- Ridderzuring: bordellewortel, bretelleblad, kalverblaren, kalvertongen, kalverwortel, patersstok, peerdesurkel ..., Sint-Antoniuswortelen, smalle dokkewortel, spekwortels
|
|
- Paardezuring: lekblaren (aan een lek = stilstaand water), meerschsurkel, venscheblaren
- Perzikkruid: adderwuttel, slangenkruid, roods, reds, roodsel, reedsel, ridsel, rodse, smert, Wilde wilgen, Ons-Heren-traantjes
- Boekweit: beukweit, boeké, boeken, boekwaa, boekwee, boggert, bokwei, ...
- Lamsoor : Zwinneblommen, blauwe strandbloem, zeebloemen
- Engels gras: grasbloem, gersblom, Spaans gras, grasanjelier, grasdot, pastoorsgers, tuilkens, ruschjes, groeske(n)s
- Pioen: balroos, boerenpioen, pioenroos, Comelisrozen, kerkeroos, peerdsrozen, piadsroze, Schinksenroos, Sinkseroze, potrozen
Nog gekend in steekproef Groot-Stekene:
Ganzevoet : molm (?), pielebouten
Veldzuring: koekeleute, (s)(z)urkel
Ridderzuring: pe(i)rspee, porspee
Duizendknoop: varkensgras, wilde wissen
Perzikkruid: rotsel
Lamsoor: Zwinneblomme
Belangrijkste andere volksnamen in Nederland:
Zeekraal: zeegrappe, zouterik
Varkensgras: mottengras
Zuring: zuurstelen, zuringstok, wilde tabak
Perzikkruid: bloedblad
Boekweit: heidekoorn
Engels gras: zoutebloem
Pioen: anderhalfhonderblad, dagen-in-'tjaar, stinkroos
Belangrijkste Middelnederlandse namen:
Amarantus: papegaeyencruyt
Ganzevoet: lammekensoore, bocxcruyt, cuttencruyt
Zuring: suyringh, patich
Perzikkruid: serpentine, persiccruit, vloycruyt
Boekweit: bueckenweydt, boucwyt
Lamsoor: Limonium van Nederlant, lamshoore
Pioen: peonie, peoen
Voor inleiding en literatuuropgave: zie d'EUZIE, jg. 18, 1999, nr. 1