17de jaargang nr.1en2.9
maart 1998
HONDERD
JAAR GELEDEN
De
verbouwingen aan de Heilig-Kruiskerk
Luc
Tirez
De
voorbereidingen
In
de verslagen van de kerkraad van de Heilig Kruiskerk op het einde van de
negentiende eeuw komen herstellingswerken aan de kerk pas ter sprake vanaf 1
juli 1894. In de begroting voor
het jaar daarna werd een uitgavepost voorzien voor herstellingswerken aan de
daken van de kerk en de sacristie[i]
waarvoor door de overheid in december 1894 de toestemming werd verleend om ze
in regie uit te voeren omdat de omvang ervan moeilijk vooraf kon bepaald
worden[ii].
Nog voor de werken aangevat werden stelde men vast dat een globale
aanpak van herstellingswerken aan de kerk zich opdrong en op 6 januari 1895[iii]
brachten Frans Annaert[iv]
en Eugeen Verbeeck,
respectievelijk voorzitter en lid van de kerkraad, verslag uit van de staat
van de kerkgebouwen:
Het
blijkt:
1°
dat onder ander het dak der benedenkerk al den Noord-West geheel is
doorgezonken door het wegschuiven en breken der gordingen en niet alleen van
schalieberd en schaliën, maar zelfs gedeeltelijk van groot timmerwerk moet
vernieuwd worden.
2°
dat de vensters van de kerk in zulken ellendigen staat zijn dat zij bijna alle
door nieuwe moeten vervangen worden.
3°
dat de muren zelve der kerk aan den buitenkant bijzonderlijk in de onderste en
bovenste gedeelten groote herstellingen vragen; dat de drummers en de gevels
zouden geheel van nieuwe dekstenen moeten voorzien worden ...
Het
verslag besluit:
Aangezien
de belangrijkheid der vereischte herstellingen, aangezien sedert lange jaren
geklaagd wordt dat de kerk te klein is voor eene bevolking van bij de 8.000
zielen, besluit de raad dat het noodzakelijk en ook voordelig is plans en
bestekken te doen maken tot vergrooting en algemeene herstelling der kerk.
De heer Julius Goethals[v],
bouwmeester te Aalst, zal gelast worden met het opmaken van bovengemelde plans
en bestekken.
Op
de kerkraad van 24 maart 1895 legde voorzitter Annaert de plannen voor die
Goethals had opgemaakt met een bestek ten belope van 94.594,55 frank.
Ze werden met eenparigheid van
stemmen goedgekeurd en men maakte de rekening op om de financiële
haalbaarheid van het project te toetsen:
Aangezien
de inkomsten van de kerk door het verpachten der stoelen[vi]
met omtrent 900 franken zijn vermeerderd; aangezien de vergrooting van de kerk
het plaatsen zal toelaten van 300 kerkstoelen[vii]
meer, die ten minste 2 keeren alle Zondagen zullen gebruikt worden, aan 2
centiemen per stoel, zal voor de Zondagen eene nieuwe vermeerdering geven van
boven de 600 franken.
De
raad besluit dat de kerk zal kunnen tusschen komen in het dekken der onkosten
van een kapitaal van 25.000 franken door het verkoopen van renten op het
Belgisch Grootboek ingeschreven, en dat voor het overige de noodige hulpgelden
zullen gevraagd worden aan de gemeente, de provincie en den staat.
De
Koninklijke Commissie van Monumenten keurde de plannen van Goethals, mits
enkele kleine wijzigingen, op 25 januari 1896 goed.
De
financiering van het project
In
een brief van 28 oktober 1896 vroeg de provinciegouverneur aan de kerkfabriek
meer klaarheid over de financiële haalbaarheid van het project en de kerkraad
maakte nu een meer gedetailleerde balans op:
Gezien
het bestek der werken beloopt tot
94.594,55 fr
gezien
de bijlage van de gemeente is van:
20.000 fr
die
der provincie van 1/5 of hoogstens:
18.918,91
en
de vermoedelijke toelage van het staatsbestuur van:
18.918,91
te samen uitmakende:
57.837,82
gezien
er dus nog de som ontbreekt van 36.756,73;
Herzien
de beraadslaging der kerkfabriek van 24 maart 1895 de tusschenkomst der kerk
bepalende op fr 25.000; gezien de kerkfabriek bezit op de spaarkas fr 1.599;
op het Grootboek der Openbare Schuld fr 35.300; en dat het overschot der
rekening van 1896 omtrent fr 1.600 zal bedragen; gezien de Eerw. Heer Pastor
van verschillige personen ontvangen heeft voor de vergrooting van de kerk de
som van fr 3.300, die hij bereid is te storten in de kas der kerkfabriek
De
raad besluit: De kerkfabriek zal hare bijdrage brengen van 25.000 op
33.456,73. Die bijdrage zal gedekt worden met:
den
verkoop van 30.000 Belg. Renten aan 101:
30.300
de
gelden op de spaarkas geplaatst:
1.599
liggende
gelden genomen uit de kas:
1.577,73
Samen
met de reeds vermelde giften van 3.300 fr gaf dit een batig saldo.
Op
de vraag of een deel van deze middelen niet belast waren met geestelijke of
andere lasten gaf de raad uitvoerig antwoord:
De
lasten van deze stichtingen bedroegen ‘608,46
fr voor diensten die nog moeten gedaan worden en 140,78
fr voor nog uit te voeren brooddelingen’.
Deze stichtingen vloeiden voort uit enerzijds stichtingen op gekende
vaste goederen met een jaarlijkse opbrengst van 525 frank en waarvan 61,84
frank moest besteed worden aan diensten en 52,70 frank aan brooddelingen, en
anderzijds uit stichtingen waarover het verslag vermeldt:
...
voor de meeste der stichtingen is het ons onmogelijk aan te duiden waarop ze
belast zijn. Vele zijn zeer oud en alleenlijk bekend door aantekeningen
getrokken uit eenen ouden register die verdwenen is[viii].
Vele zijn gesteund op oude renten die waarschijnlijk afgelost zijn.
Uit
de schatting van de onbelaste eigendommen van de kerkfabriek en de voorhanden
waardepapieren bleek dat een jaarlijks inkomen gegarandeerd was van 824 frank
om de resterende 634,70 frank te dekken.
Dan
restte nog de vraag hoe de kerkfabriek de regelmatige tussentijdse betalingen
aan de aannemer zou verrichten want de toelagen van gemeente, provincie en
staat werden, over enkele jaren gespreid, uitbetaald.
Volgens bestek had de aannemer recht op betaling telkens na het
uitvoeren van één vijfde van de werken en kon één tiende van de totale som
achtergehouden worden tot de volledige goedkeuring van de werken. De kerkraad
werkte volgend financieringsplan uit voor 1897:
uitgaven:
51.081,06 fr
beschikbare
fondsen: kerk:
33.456,73
giften:
3.300
gemeente:
10.000
provincie:
4.000
staat:
4.000
alles
samen: 54.756,73
Voor
de uitgaven van 1898 ten belope van 34.000 frank, waarvoor men kon rekenen op
een toelage van 10.000 frank vanwege gemeente, provincie en staat, werd een
lening voorgesteld van 21.000 frank[ix]
verdeeld over 42 schuldbrieven[x]
van 500 frank met een rentevoet van 3,25% en af te lossen in tien jaar.
Achttien schuldbrieven zouden afgelost worden in 1900, twaalf in
1901 en de jaren daaropvolgend
telkens twee tot in 1907. De Bestendige Deputatie keurde dit voorstel goed op
23 oktober 1897 en de lening werd officiëel uitgeschreven op 1 februari 1898[xi].
Om de intresten te dekken die op deze lening moesten betaald worden
werd beslist ‘s zondags gedurende de bouwperiode in de kerk rond te gaan met
een bijzondere schaal.
|
Schuldbrief
van de kerkfabriek voor de lening van 1898. |
De
aanbesteding
Uiteindelijk
werden plannen en bestek door de provinciale overheid goedgekeurd op 21
november 1896[xii]
en reeds op 26 december werden de aanbestedingsbrieven van de kandidaten
aannemers geopend met volgend resultaat:
Jan
Frans Van Broeck, Melsele Waas
107.739 fr
Louis
Joos & Louis
De Grave, Sint-Niklaas
104.899 fr
gebroeders
Myncke, Gent
102.469 fr
Edmond
Leyns, Gent
99.145 fr
P.
Thierens-Delcorde,
Sint-Niklaas
97.000 fr
Jan-Baptiste
Snaps, Sint-Niklaas
96.887 fr
H.
Joos-De
Beule, Hamme
94.737,50 fr
Leonard
Scheldeman, Roeselare
89.898 fr
Camiel
Cortebeek, Stekene
89.756 fr
Annaert
schrijft hierover in het verslag van het bureau van de kerkmeesters:
De
heer Cortebeek Camiel is de laagste aanbieder. De heer Scheldeman Leonard van
Rousselare onmiddellijk na hem komende doet bestatigen dat zijn minimum van
dagloon merkelijk hoger is dan dat van zijnen mededinger en vraagt de voorkeur
op hem. Het bureel besluit dat de
borgtocht (n.v.d.r. 2.000
frank) van beide deze heeren zal
ingehouden worden ... en dat de beslissing van de opgerezene moeilijkheid aan
de Bestendige Deputatie zal overgelaten worden.
Op
de vergadering van de kerkraad van 5 januari 1897 besloot men ‘dat
de heer Cortebeek Camiel, de laagst biedende zijnde als ondernemer is aanveerd
mits goedkeuring der Bestendige Deputatie ...’
In
de kerkraad van 7 maart werd een brief besproken van de gouverneur aan de
kerkfabriek[xiii]
waarin deze enkele mededelingen deed[xiv]:
1°
dat zijne Majesteit de Koning bij besluit van 15en Februari 1897 de
toelating geeft om onze kerk te vergrooten en te herstellen.
2°
dat de heer Minister van Eerediensten eene toelage schenkt van fr 17.951, zo
gelijk aan die der Provincie, te gelden op de dienstjaren 1897, 98 en 99.
3°
dat het proces-verbaal der zitting van onzen kerkraad dato 5 januari ll. is
goedgekeurd en dat Cortebeek Camiel bepaald tot aannemer der werken is
verklaard ..
Uiteindelijk bleek de financiering nog mee te vallen: de aanbesteding van
Cortebeek lag ongeveer vijf procent onder de schatting van Goethals[xv]
en de kerkfabriek moest enkel 33.853,60 frank opbrengen.
Er werd beslist deze te putten uit de verkoop van renten[xvi]
(28.420 frank), uit de spaarkas (1.600 frank), uit de kas (533,60 frank) en
door de giften aan pastoor Paquay (3.300 frank).
Het
Koninklijk Besluit van 11 mei 1897 dat machtiging verleende om de nodige
graafwerken te verrichten op het oude kerkhof werd zelfs niet afgewacht om de
werken te beginnen. Op 26 april
1897[xvii]
werd, na een plechtige mis, met het werk begonnen.
Camiel Cortebeek had bij het indienen van zijn bestek een borg van ‘Alphons
De Smedt-Lamotte,
cigarenfabricant te Stekene, dorpstraat no- die zich met hem
solidairlijk verbindt als bijzonderen aannemer[xviii]’,
maar sloot in elk geval ook een akkoord met zijn rivaal Scheldeman om voor hem
in onderaanneming te werken. Scheldeman
gaf op 16 april 1897 aan Annaert, als voorzitter van de kerkfabriek, een
waarborg van 2.000 frank en kreeg die terug op 21 april 1901[xix].
Goethals
had een uitvoerig bestek gemaakt waarvan we de voornaamste posten hierna samen
vatten[xx]:
Afbraakwerken
2.448,40
Graafwerken
174,04
Metselwerk
in funderingen
1.722,34
Opgaand
metselwerk
13.O13,22
Vouten
in kerk en sacristie
4.020,85
Werken
in blauwe hardsteen
15.481,50
Werken
in witte steen
11.149,52
werken
in Doornikse steen (kolommen)
3.586,57
Vloeren
in marmer van Basècles en herleggen oude vloeren
4.907,52
Bezetwerken
2.785,37
Dakwerken
in schaliën en vorsten in witte steen
6.192,45
Timmerwerken
in inlands eikenhout
5.110,00
Schrijnwerk
voor portalen, deuren en ramen (Hongaarse eik)
4.897,38
Afkappen
bezetwerk en voegen oude buitenmuren
3.881,25
Ijzerwerk
2.894,97
Zinkwerk
646,04
Engels
glas
5.468,60
Gaanpad
rond de kerk in klinkaard
558,00
Deze lijst is niet volledig omdat een groot aantal kleinere uitgavenposten
moeilijk ergens ondergebracht kunnen worden.
Goethals zelf rekende een ereloon van 5%.
Merkwaardig op het eerste gezicht is dat de totale kostprijs van de
veranderingswerken duidelijk onder de prijs ligt die, ongeveer dertig jaar
eerder, door Serrure was
opgemaakt. Men moet dat toch
relativeren: als men in het jaar 1914 als basis 100[xxi]
neemt voor de koopkracht van onze munt, was deze, tussen 1861 en 1870, 104 en
slechts 82 tussen 1890 en 1900. In
1997 zou de waarde gestegen zijn tot 16.602 wat dus omgerekend een som van
twintig miljoen oplevert.
De
uitvoering van de werken
|
Attest
in verband met de vordering van de werken geschreven door
Goethals. |
De
werken moesten binnen een termijn van 12 maanden afgewerkt zijn, maar liepen
in elk geval vertraging op. Pas
op 31 mei 1898 verklaarde architect
Goethals dat vier vijfden van de globale som mocht betaald worden nadat een
evenredig deel van de werken was uitgevoerd.
In de zitting van 2 april 1899 verklaarde de kerkraad, op advies van
Goethals, de herstellingswerken aan de kerk beëindigd.
De vertraging was gedeeltelijk te wijten aan bijkomende werken[xxii].
Deze waren, onder andere, herstellingen aan de toren, een nieuwe spits
op de torentrap aan de sacristie, het dichtleggen met schaliën van het licht
in het dak van het koor, het openbreken en herstellen van de bovenvensters in
het kerkschip en het afbreken van drie altaren en twee biechtstoelen en het
metselen van één vout in het koor. De
grootste som van meerwerken (2.328,85 frank) ging naar het herstellen van de
arduinen kolommen[xxiii].
De meerwerken voor een totaal van 12.721,87 frank werden afgesloten op
28 mei 1901.
Maar
laat ons teruggaan naar het begin van de werken.
Goethals beschreef de afbraakwerken en zijn opsomming stelt ons in
staat de kerk van toen enigermate te reconstrueren.
1°
Afbraak van de voorgevel, sacristij, magazijn, dakken, zijdebeuken, deel muur
zijdebeuk rechts, openen der arcaden van de twee zijdepoortalen, openen der
koorvensters, uitnemen der bogen en kolommen in den koor, uitnemen der vouten
in de middenbeuk, zijdebeuken en deel koor, uitnemen van alle de glazen ramen
met ijzeren barren begrepen, opbreken en stapelen en sorteren van vloeren ...
2°
uitbreken en bergen op eene aan te wijzen plaats door het bestuur, van het
orgel met alle toebehoorten ...
3°
uitbreken en bergen ... van het poortaal, hoogzaal, kassen en doopvontkapel,
staande tegen den af te breken voorgevel alsook de meubelen van de sacristij.
Tijdens
de werken moest de kerk ter beschikking blijven van de eredienst en daarom
werden de afbraakwerken in verschillende stadia doorgevoerd terwijl de kerk
door middel van verplaatsbare houten schotten in verschillende delen werd
gescheiden. Zo lezen wij in het
bestek:
Te
maken, binnen de kerk, samengesteld uit dubbele regels van 0,15 X 0,06,
waartussen staande geschaafde en geklikt berd van 0,018 dikte zal geplaatst
zijn, de voegen met latten dicht gemaakt, deuren zullen er in gebracht worden
volgens aanwijzing.
1
arcade middenbeuk (voorgevel)
2
idem zijbeuken (voorgevel)
4 idem zijbeuken (Deze moeten na gebruik van de linker naar de rechterzijde
verplaatst worden, en de drij eerste aan de kooren).
Afsluiting
van 2,50 meter hoogte van de kruisbeuk rechts moetende dienen als voorloopige
sacristij.
Zo
kon, door het verplaatsen van de panelen, achtereenvolgens vier verschillende
ruimten van de kerk afzonderlijk gebruikt worden: een eerste met koor,
kruisbeuken, middenbeuk en linker zijbeuk, een tweede, gelijk aan de eerste,
maar met de rechter zijbeuk in plaats van de linker, een derde met koor en
kruisbeuk en een vierde met alleen middenbeuk en de twee zijbeuken.
Uitzicht
van de kerk vóór 1897
|
|
Wij
kunnen een reconstructie maken van de kerk, van voor de veranderingswerken van
1897-98, aan de hand van plannen en bestekken van de architecten Serrure en
Goethals, enkele fotografische opnamen uit die tijd, beschrijvingen van het
interieur en exterieur in het boek van Annaert, een beschrijving in de
toenmalige verzekeringspolis[xxiv]
van de kerk, huidige persoonlijke
waarneming in de kerk en reeds eerder verschenen bijdragen in ons tijdschrift[xxv].
De
benedenkerk
In
de voorgaande bijdrage over de geplande veranderingswerken van architect
Serrure in 1869 zijn een plattegrond, een zicht op de oude voorgevel, een
zijaanzicht vanaf de markt en vanaf het klooster en dwarsdoorsneden opgenomen
zodat men zich een goed beeld kan vormen van de buitenkant.
De buitenmuren waren beplaasterd, maar door beschildering werd de
indruk gewekt van baksteen[xxvi].
De muren en de ramen van de linkerzijbeuk stammen waarschijnlijk nog
van de dertiende-eeuwse kerk. Het
dak, dat toen minder schuin lag en de bovenvensters van de middenbeuk
vrijliet, werd in 1652 aangepast met een grotere helling zodat het met het dak
van het schip een geheel vormde[xxvii].
De rechterzijbeuk, langs de kant van de markt, werd in 1686 totaal afgebroken
en opnieuw opgetrokken en kreeg een hoog zadeldak waarbij ook langs die kant
de bovenvensters van het schip verdwenen[xxviii].
In 1774 vervaardigde Latteur
(de man die in datzelfde jaar ook onze schandpaal maakte[xxix])
de grote lijkdeur[xxx]
langs de kant van de markt.
Wat
het interieur betreft ligt het wat moeilijker, al kennen we de assymetrie in
de opbouw van de zijbeuken van de plannen van Serrure.
We hebben, afgezien van een plattegrond, geen enkel idee hoe het
tochtportaal, hoogzaal en orgel er uit zagen en evenmin van de doopkapel
rechts tegen de voorgevel. De
doopvont zelf was waarschijnlijk de huidige[xxxi],
die naderhand in de nieuwe doopkapel geplaatst werd.
In de verzekeringspolis staat een summiere beschrijving van de
achterzijde van de kerk: ‘...
Hoogzael met de vier steene colonnen dezelve ondersteunende, daeronder
begrepen de plancher dezer Hoogzael en de boisering nevens die Hoogzael, met
geheel de boisering op geheel de breedte der kerk, de portique of ingangsdeur
en der vont capelle, alles in hout’.
Persoonlijk ben ik dat van mening dat de kast, die tegen de voorgevel
langs de linkerkant stond en bij het afbreken van de oude voorgevel afgebroken
werd, zich nu in de sacristie bevindt in de ruimte bestemd voor de
misdienaars. Ik steun mij
daarvoor op de afmetingen, op het oudere uitzicht en de stijl van de kast en
het feit dat het om een aanbouwkast gaat.
De
acht zuilen van het schip waren wit beplaasterd[xxxii]
met kapitelen zonder koolbladmotief en er was geen houten lambrizering aan de
buitenmuren. De vensters bovenaan
de middenbeuk waren, zoals hierboven reeds vermeld, dichtgemetseld en niet
zichtbaar en er bestonden reeds stenen vouten[xxxiii].
Er stonden geen biechtstoelen in de zijbeuken en de huidige preekstoel,
gemaakt in 1847, stond toen op dezelfde plaats als nu.
De
kruisbeuken
In
de kruisbeuken is, afgezien van de ramen en de altaren, die in het begin van
deze eeuw werden vervangen, weinig veranderd.
Over het uitzicht van het vroegere altaar van Sint-Sebastiaan hebben
wij het verder in deze bijdrage, over het uitzicht van het altaar van de
Zoete-Naam-Jezus, dat toen stond op de plaats van het huidige
Sint-Jozefsaltaar, weten wij enkel dat het voorzien was van een schilderij[xxxiv]
met daarop de distelbloem en de spreuk: ‘Scherp om Grijpen’, de leuze van
het rederijkersgezelschap ‘De Distelbloem’.
Vermelding van werken aan de vouten van de kruisbeuk en onder de toren
vinden wij bij Goethals nergens terug zodat wij moeten besluiten
dat deze, afgezien van het feit
dat ze toen misschien beschilderd of bezet waren, niet veranderd zijn
tegenover vandaag. De ramen van
de zijbeuken waren ontdaan van hun witstenen monelen en timpanen die in 1766
door ijzeren kruisramen vervangen waren[xxxv],
zij werden door Goethals in de oorspronkelijke staat hersteld.
|
|
Het
koor
|
|
In
het koor waren alle vensters vooraan, achter de altaren, dichtgemetseld[xxxvi]
en was er, in 1835, in elk van de zijkoren een raam bijgeplaatst.
Deze ramen hadden nog hun gotische vorm, maar het witstenen kantwerk
was
vervangen door vierkantig raamwerk in ijzer.
De vouten in de zijkoren zijn niet veranderd door Goethals, de vouten
vooraan in het middenkoor wel. Het
uitzicht van de koren is zeer goed weergegeven op de foto’s die gemaakt
werden kort vóór de veranderingswerken van Goethals.
In beide zijkoren stond langs de buitenmuur een biechtstoel (zichtbaar
op de foto van het rechter zijkoor). Zij
waren geplaatst in 1840[xxxvii],
en hadden volgens Annaert ‘de eenige
verdienste van overeen te komen in stijl met den reeds bedorven hoogen koor’.
Hun lot laat zich raden: ze werden afgebroken en vervangen door twee
biechtstoelen in de benedenkerk naar ontwerp van Goethals.
|
|
|
lichtkoepel
boven het hoofdaltaar. |
In
de verzekeringspolis van 1842 ontnemen wij uit de inboedelbeschrijving: ‘Den
Hoogen autaer met de zes colonnen in steen, de corniche in hout, de tombe in
witten marmer, de capiteelen in hout, het Tabernakel in hout met vergulde
ornamenten en de twee beelden van de H.H. Petrus & Paulus in steen aen
dien autaer zijnde en de trappen in marmer’.
Over de zijaltaren luidt het: ‘met
de pilaren ende couronnementen in hout ... en de trappen in marmer’.
Uit dezelfde polis blijkt dat de kerkvouten allemaal in steen waren
uitgevoerd en blijken er nog zes beelden in steen en hout aan de muren te
staan.
|
Detail
van een foto van de achterzijde van de kerk van vóór 1897 met de
toegemetselde ramen en het lichtvenster in het dak. |
De
restanten van de communiebank die toen het koor van de eigenlijke kerk
scheidde geven een goed beeld van wat ze eens is geweest.
Ze staat beschreven bij Annaert[xxxviii]
die de aanwezigheid vermeldt van beelden van Petrus en Claudius die verdwenen
zijn. Het centrale koor was,
ondanks de toegemetselde ramen achter het altaar, niet duister omdat een licht
in de koepel boven het altaar ervoor zorgde dat het daglicht naar binnen kon
dringen. Op de foto hiervan op de
vorige bladzijde kan men links van het altaar het beeld zien van Petrus of
Paulus dat in de verzekeringspolis beschreven is.
Veranderingen
in het meubilair
Op
de kerkraad van 24 september 1897 werden plannen voorgelegd van enkele altaren
en het koorgestoelte:
De
heer voorzitter legt aan de raad de plans voor van een hoogen altaar, van
eenen altaar van O.L.Vrouw, van eenen altaar van de H. Antonius van Padua en
van gestoelten voor den hoogen koor. Al
deze plans zijn het werk van den heer Julius Goethals, bouwkundigen te Aalst.
De gestoelten en de bovendelen der altaren zijn in gesneden eikenhout,
de tomben en de tafels der altaren in witten steen[xxxix]
De
raad
gezien
dat de 3 nu bestaande altaren en de tegenwoordige gestoelten zonder eenige
kunstwaarde zijn en volstrekt niet overeenkomen met den stijl van de herstelde
kerk;
gezien
dat de plans van de vier nieuwe meubelstukken geheel en gansch in den trant
zijn van de herstelde gebouwen;
gezien
dat de onkosten beloopen tot fr 8.000 voor den hoogen altaar, fr 2.000 voor
ieder der twee zijaltaren, en fr 2.OOO voor de gestoelten, dus tesamen fr
14.000.
gezien
dat de Eerw. Heer Pastor Paquay al
de kosten tot vervaardigen en plaatsen der genoemde meubelstukken op hem neemt[xl]
en er dus geene lasten zullen uit voortspruiten, maar integendeel een
merkelijk voordeel voor de kerkfabriek;
besluit: bovengemelde plans zijn goedgekeurd[xli].
Op
dinsdag 25 oktober[xlii]
1898 kwam Monseigneur Stillemans
het vormsel toedienen en werd een eerste mis opgedragen aan het nieuwe
hoofdaltaar met een brooddeling aan de armen.
Op die dag werd speciaal Gillis
Frans Rooms[xliii]
herdacht die precies honderd jaar eerder op zesentwintigjarige leeftijd te
Sint-Niklaas viel onder Franse kogels. ‘s
Anderendaags, toen ook de honderdste verjaardag werd herdacht van de inval van
de Franse troepen in Stekene, toen ze op weg waren van Hulst naar
Sint-Niklaas, werden de drie altaren door bisschop Stillemans plechtig
ingewijd met een plechtige mis om negen uur.
Deze werd opgedragen door Aloysius
De Smedt[xliv],
pastoor in Kemzeke en oudste nog in leven zijnde priester, geboren in Stekene.
Hij werd geassisteerd door negen andere geestelijken in een mis die
twee uur duurde. Er werd een
driestemmige mis gezongen van Oscar[xlv]
Van Durme onder de leiding van Jul.
Martens[xlvi]
met zijn broer Leo aan het orgel.
‘s Namiddags bracht de fanfare een serenade voor de bisschop.
Ondertussen
was in de kerkraad van 3 juli 1898 reeds de goedkeuring verleend voor het
oprichten van het Sint-Sebastiaansaltaar.
De
heer voorzitter legt aan de raad het plan voor van eenen nieuwen
St-Sebastiaansautaar[xlvii],
geteekend door den heer Julius Goethals, bouwkundigen te Aalst.
Het bovendeel van den autaar is in gesneden eikenhout, de tombe en de
tafel in witten steen[xlviii].
De
raad,
gezien
dat de tegenwoordige St-Sebastiaansautaar de minste kunstweerde niet bezit,
niet overeenkomt met de stijl der kerk en bovendien bouwvallig is;
gezien
dat het plan van den nieuwen autaar geheel in den trant van de herstelde kerk
is;
gezien
dat de onkosten beloopen zullen op fr 3.200;
gezien
de Jufvrouwen Henrica en Julia
Vydt en hare familie al de kosten van vervaardigen en plaatsen van den
autaar op hen nemen en dat er geene lasten zullen uit voort spruiten, maar in
tegendeel eene merkelijk voordeel voor de kerkfabriek;
besluit:
bovengemeld plan is goedgekeurd[xlix]
Het
altaar werd voltooid in januari 1900 en de eerste mis werd er opgedragen op de
eerstvolgende teerdag van de Sint-Sebastiaansgilde[l].
Het oude altaar werd afgebroken en verkocht[li].
Het houten beeldje van Sint Sebastiaan,
dat volgens Annaert[lii]
het altaar sierde, is misschien het beeldje waarover[liii]
in het Liber Amicorum Herman Heyse geschreven werd.
Het werd waarschijnlijk met het altaar verkocht (of kwam in handen van
de familie Vydt die het nieuwe altaar had geschonken?) en zou zich nu in het
Provinciaal Museum voor Kunstambachten van Antwerpen (Sterckxhof in Deurne)
bevinden.
|
Goedgekeurde
ontwerptekening van de biechtstoelen door Jules Goethals |
Op
1 juli 1900 werd in de kerkraad beslist het plan van het Sint-Jozefsaltaar,
getekend door Goethals, goed te keuren[liv].
Waarbij pastoor Paquay ‘al de kosten
van vervaardigen en plaatsen ... die zullen beloopen tot fr 3.800’ op
zich neemt. De Koninklijke
Commissie van Monumenten maakte enkele opmerkingen[lv]
waarmee blijkbaar ook rekening gehouden werd, maar
aangezien we tot vandaag geen ontwerptekeningen van de altaren in handen gehad
hebben kunnen wij geen definitief oordeel vellen.
|
1897.
Camiel Cortebeek zit in het midden met de handen in de schoot
en rechts naast hem ,met de reilat, zijn broer Eugeen.
Benoît, zoon van Eugeen en Natus Van Daele, die gedood werd
na een val door het gewelf in het schip, moeten ook op deze foto
staan, maar zijn niet geïdentificeerd. (foto Luc Dullaert) |
Er
werd toen ook besloten het oude orgel te verkopen:
Gezien
bij de herstelling van de kerk het oud orgel is weggebroken; gezien het zoo
versleten en gebrekkig is, dat het onmogelijk terug kan geplaatst worden
zonder buitengewoon groote onkosten; gezien, volgens advies van deskundigen,
het oud spel die onkosten niet verdient, die nog jaarlijks zouden vergrooten
door gedurige herstellingen; gezien de orgelkas van geene kunstweerde is en
met den stijl der kerk niet overeenkomt,
De
raad besluit de toelating te vragen om het oude orgel of ten minste de
orgelkas te verkoopen.
In
hetzelfde jaar werd ook beslist ‘op
aanhoudend verzoek der overheid eenen donderscherm te plaatsen op de kerk’
en in 1903 werd beslist twee biechtstoelen bij te plaatsen in de zijbeuken.
Architect Goethals maakte het ontwerp en waarschijnlijk werden ze
vervaardigd door Van Caelenbergh.
Luc
TIREZ
BRONNEN
Frans-Jozef
ANNAERT, Stekene en zijn Kerk.
Gent, Drukkerij A. Siffert, 1898, hierna Annaert
genoemd.
Archief
van Stekene in het Bischoppelijk Archief van Gent, hierna Bisdom
Gent genoemd.
GAZET
VAN STEKENE (Boerkensblad), uitgegeven door drukker P.
De Windt.
Modern
archief van de Heilig-Kruisparochie in de pastorij van Stekene, hierna kerkarchief
genoemd.
Register
der Beraedslagingen van den Bureau en Raed der Kerkfabriek van Stekene,
1851-1900, in het Modern
kerkarchief, pastorij Stekene, hierna
kerkraad genoemd.
LUC SCHOKKAERT, Biografisch Repertorium van de priesters van het bisdom Gent 1802-1997, KADOC, Leuven 1997, voor de onderstaande inlichtingen over de priesters.
BART DE KEYSER, De Ingenieuze Neogotiek, Davidsfonds/Leuven-Universitaire Pers/Leuven, 1997
[i] Kerkraad, p. 150.
[ii] Bisdom Gent, nr. 128.
[iii] Kerkraad, p. 151 en 152.
[iv] Frans Jozef ANNAERT, werd geboren te Stekene in 1839, priester gewijd in 1862 en was achtereenvolgens onderpastoor in Sint-Salvator en daarna in Sint-Jacobs in Gent, en in 1880 pastoor te Berchem (Oudenaarde). Hij nam vrij jong (49 jaar oud), waarschijnlijk om gezondheidsredenen, ontslag en kwam in zijn geboortedorp op rust. Hij werd voorzitter van de kerkraad en bleef zich actief met Stekene bezighouden.
[v] Julius Goethals, de architect die de leiding had bij de verbouwingswerken, werd geboren te Gent in 1855 en voltooide zijn opleiding in dezelfde stad aan de Sint-Lucas-Academie die toen pas was opgericht onder impuls van, onder meer, Jean-Baptiste Bethune, de vader van onze vaderlandse neogotiek. De Sint-Lucas-Academie had zich tot doel gesteld ambachtslieden en architecten te vormen die een ‘christelijke’ kunst moesten uitdragen, welke toen gelijkgesteld werd met de neogotiek. Goethals werd stadsarchitect en tevens directeur van de Stedelijke Akademie voor Schone Kunsten in Aalst. Hij was een bijzonder actief man en was betrokken bij een vijftigtal vernieuwingen en verbouwingen van kerken, meestal in Vlaanderen, maar ook in Wallonië. Daarnaast richtte hij ook burgerlijke gebouwen, ziekenhuizen, kastelen en woonhuizen op. Hij overleed te Aalst in 1918.
[vi] Verpachten der stoelen, zie Annaert, p. 49 en kerkraad. Annaert vermeldt dat pas in 1790 de eerste stoelen in de kerk verschenen in vervanging van banken. Het aantal steeg van 27 in 1790 tot 76 in 1792 en 312 in 1817. De verhuring van stoelen (stoelgeld van 1 cent) begon in 1822. Na opmerkingen in verband met de lage opbrengst van het stoelgeld door het provinciaal bestuur besloot de kerkraad in 1893 de kerkstoelen vanaf het jaar daarop jaarlijks te verpachten aan de meestbiedende. Er werd een reglement opgesteld waarbij de prijs van het stoelgeld vastgelegd werd op 2 cent. Dit kon enkel gevraagd worden voor het gebruik van stoelen die eigendom waren van de kerk, de private stoelen waren vrij van stoelgeld, tenzij ze gebruikt werden door niet-familieleden van de eigenaars, die trouwens jaarlijks een som aan de kerkfabriek moesten betalen om hun stoel te plaatsen. De zitbanken werden verhuurd door de kerkfabriek en indien iemand anders er plaats nam, moest die 25 cent betalen per keer. De kinderen van de betalende jongensscholen mochten tijdens de hoogmis en de vespers samen zitten en waren vrijgesteld van stoelgeld, voor de arme kinderen waren een zestal banken voorzien waarop ze gratis plaats konden nemen. De kerk verbond er zich toe steeds minstens 800 stoelen in goede staat te houden.
Stoelgeld moest betaald worden in de missen en de vespers op alle zon- en feestdagen en deze waren buiten de tien wettelijke feestdagen van vandaag: Driekoningen, Lichtmis, Onze-Lieve-Vrouw-Boodschap, Sacramentsdag, Sinte-Pieter, Onze-Lieve-Vrouw-Geboorte, Kruisverheffing, Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekte-Ontvangenis en tweede Kerstdag. Verder waren nog voorzien: de twee dagen van de Gedurige Aanbidding, de maandagen van de twee kermissen, Allerzielen, de missen van Sint-Huibrecht en de Messiasmissen, de eerste mis van de Kruisdagen, Sint-Marcus en de mis en het lof op de dag van de Eerste Communie.
De openbare aanbesteding
werd vlot beantwoord: er waren zestien gegadigden waaruit door de kerkraad
een selectie werd gemaakt uit de drie hoogstbiedenden. Marie
en Clementia Van Oerle haalden
het met een bod van 2.900 fr. Andere
bieders waren: Aloïs Van Nieulandt,
Petrus Hofman, Gustav Dias, weduwe Philips, Fr. Wuytack, Leonard Goossens,
Marcellien Mels, Frans Selis, Frans Van Walle, Ferdinand Audenaert,
Eleutherius Emmaneel, Jan Brijs, Marcellien Dias, Cyriel Goossens en Karel
Strooibant
De stoelen werden blijkbaar
niet alleen in de kerk gebruikt want in de zitting van 7 januari 1900
besliste de raad dat ‘om alle
ongemakken te vermijden de kerkstoelen in het toekomende niet meer zullen
uitgeleend worden voor concerten of andere feesten die in gelijk welke
herberg gegeven worden’.
[vii] Dit bracht dan het totaal aantal op 1.100 stoelen. Nog gedurende vele jaren vinden wij rekeningen terug voor reparatie en bijmaken van stoelen bij Eligius, Benignus en Aloïs Van Nieulandt
[viii]
In het verslag van de kerkraad van 5 januari 1897 schrijft Annaert over deze
stichtingen: Vele zijn zeer oud en
alleenlijk bekend door aantekeningen getrokken uit eenen register der 16e
eeuw, die zelve niet meer te vinden is ...
[ix] Zie ook: Bisdom Gent, nr. 146.
[x] De lijst op naam met de 42 intekenaars bevindt zich ook in het modern kerkarchief en geven wij hierna weer. Bij de oorspronkelijk geschreven namen werden er later andere bijgevoegd en de bestaande geschrapt. Deze laatste zijn in de onderstaande lijst tussen haakjes geplaatst en de bijgevoegde namen zijn cursief afgedrukt.
|
Mr
Theophiel Geerinckx |
Nath.
Van
Bastelaer,
past |
idem |
|
idem
Juf
Voet |
familie
Aps, Hontenisse |
idem |
|
Th.
Geerinckx |
Annaert |
idem |
|
idem |
(idem)
Jufvrouw Voet |
idem |
|
Mad.
We Baert |
Van
Eerdenburgh Frans |
idem |
|
idem |
idem |
Mr
de Pastoor, autaar |
|
Eugeen
Van Goethem,
Kiekenhaag |
Marie
pastoor |
Mr
Van der Wee |
|
idem
Jufvrouw Voet |
Mr
de Pastoor H.Hart |
idem |
|
Stephanie
Baeyens |
idem
autaar |
-
|
|
idem |
idem
autaar |
Stephanie
Baeyens |
|
Francisca
Pijl
bij Frans Weyn |
idem
autaar |
|
|
Jan
Daemers |
Mr
Van der Wee |
- |
|
Mr
De Pastoor |
Mad.
Baert, Rozeken |
Van
Eerdenburgh |
|
idem |
Mad.
De Maeyer, Maduwe Aug.
Thuysbaert |
Jufvr
Voet |
[xi] Wegens extra uitgaven aan de kerk van 10.912,60 frank werd in 1901 aan de overheid gevraagd de lening op vijftien jaar te mogen aflossen in plaats van op tien jaar. Zie: Bisdom Gent, nr. 161.
[xii] Brief van 25 november 1896 gericht aan burgemeester en schepenen in het kerkarchief.
[xiii] Brief van 4 februari 1897.
[xiv] Melding op advies van de Bestendige Deputatie van 9 januari 1897 en hun goedkeuring op 20 februari 1897.
[xv] Door de Koninklijke Commissie van Monumenten waren er kleine wijzigingen aangebracht aan de oorspronkelijke plannen van Goethals. Zo kreeg de voorgevel slechts één traptorentje in plaats van twee (minderwerk) en werden de uitsprongen voor de zijportalen vergroot (meerderwerk).
[xvi] Bij Koninklijk Besluit van 20 mei werd machtiging verleend tot verkoop van twee inschrijvingen op het Grootboek der Belgische Staatsschuld 3 th.
[xvii] Annaert, p. 25.
[xviii] Uit de aanbesteding van Cortebeek, in kerkarchief.
[xix] Briefje met storting in kerkarchief.
[xx] Het bestek bevindt zich in kerkarchief
[xxi] Informatie over de koopkracht van de Belgische frank zoals ze werd medegedeeld door de Kredietbank.
[xxii] De bijkomende werken zijn uitvoerig beschreven in twee lijsten opgemaakt door Goethals in kerkarchief.
[xxiii]
Het opkalefateren van de kolommen was een geschiedenis op zich die echter de
grote betrokkenheid aantoont van Annaert bij het opvolgen van het werk,
zowel op praktisch als financieel vlak.
Deze werken waren uitbesteed aan Alfons Pieters uit Sint-Niklaas.
Op 4 februari 1898 richtte Goethals een brief aan Annaert waarin hij
schreef dat hij met Alfons Pieters
gesproken had over het bijwerken van de kolommen en dat die hem gezegd had
dat hij de prijs van 80 frank per kolom had aanvaard vooraleer deze kolommen
ontbloot waren. Hij vroeg nu
110 frank, wat Goethals had aanvaard onder voorbehoud van goedkeuring door
Annaert. In de rand schreef
Annaert dat voor de twee zuilen al per stuk 85,5 frank uitgegeven was aan
metaalcement en metaalwater. Op
1 maart stuurde Edmond Janssens,
de leverancier van deze goederen uit Gent, een rekening van 165 frank naar
Cortebeek voor levering van 250 kg cement en 80 kg water.
Blijkbaar was Pieters op een bepaald moment niet meer in staat het
werk verder te zetten want op 3 maart schreef zijn schoonbroer, Joseph
Van der Gucht, aan Annaert: ‘Het
zal UE reeds gekend zijn de schande waarin wij door mijn schoonbroeder A.
Pieters gebracht zijn’ en hij vroeg de openstaande rekening van 195,80
frank voor gepresteerde werkuren (125
van Alphonse, 170 van Albert en 192 van Jef) en 18,63 frank reiskosten (voor
Alphonse en Jef) te betalen. Op
dezelfde dag maakte Annaert een contract met Albert
Van Goethem (blijkbaar de Albert van hierboven), een steenkapper uit
Sint-Pauwels, om het werk verder te zetten ‘op
dezelfde wijze en zoo goed als er een dezer pilaren reeds door hem hersteld
is’ voor vijftig frank per stuk.
Het betrof vijf zuilen in de benedenkerk (de zesde was dus reeds
afgewerkt), de twee zuilen van de toren langs de kant van de benedenkerk die
elk voor drie gerekend werden, de andere twee zuilen van de toren, elk voor
twee gerekend, en tenslotte de vier halve zuilen in de zijbeuken, elk voor
een halve gerekend. Een totaal
dus van 850 frank terwijl hem cement, water en stellingen zouden geleverd
worden door de kerk. Het werk moest tegen eind juli voltooid zijn.
Op 22 oktober werd Albert Van Goethem het laatste stuk van zijn 850
fr betaald.
Na
verschillende keren bij Annaert op betaling aangedrongen te hebben schreef
Van der Gucht op 24 oktober aan Annaert dat hij een akkoord had met Goethals
om 250 fr te bekomen voor het geheel der werken uitgevoerd door Pieters
zaliger, cement, water en hamers meegerekend.
Uiteindelijk zou Annaert aan Janssens 110 fr betalen van de 165 die
Alfons Pieters hem nog schuldig was en 66 fr aan Van der Gucht.
Volgens de faktuur van Janssens leverde deze vanaf maart tot oktober
2.000 kg cement en 632 kg metaalwater.
[xxiv] In het modern kerkarchief bevindt zich een verzekeringspolis van 1842 die de aankleding van het interieur van de kerk soms gedetailleerd beschrijft. Deze polis werd pas in 1884 aangepast zonder te vermelden dat er ondertussen wijzigingen aan het interieur aangebracht waren, wat laat veronderstellen dat het nog hetzelfde gebleven was.
[xxv] Naast andere, verschenen vroeger in d’EUZIE volgende bijdragen die een beeld geven van de aankleding van de kerk vóór 1897:
Historische schets van de predikstoel, Jackie Thiron, 1e jg., nr. 2 & 3.
Foto’s van de kerk anno 1897, John Buyse, 3e jg., nr. 4.
Historiek en restauratie van de Heilig-Kruiskerk te Stekene (1985), Ivo Dewulf, 5e jg., nr. 4.
De Heilig-Kruiskerk en zijn omgeving, Jackie Thiron & Herman Heyse, 9e jg., nr. 2.
Twee terracotta platen in Stekene, Luc De Brant, 11e jg., nr. 1 & 2.
H. Kruiskerk Stekene - Verslag van het archeologisch onderzoek september 1992, Luc De Brant & Ivo Dewulf, 12e jg., nr. 1.
Restauratie van de H. Kruiskerk, Ivo Dewulf, 15e jg., nr.1.
[xxvi] In het verslag van de kerkraad van 7 april 1861 is er sprake van schilderwerken aan de kerk: ‘hebben goedgevonden en besloten de kerk inwendig te doen witten en verven en dezelfde uitwendig te doen penseelen in verbeelding van gewoone metssteen’. De beschildering staat ook vermeld bij Annaert op p. 23, ze zou voor het eerst in 1771 aangebracht zijn.
[xxvii] Zie Annaert, p. 21.
[xxviii] Zie Annaert, p. 22.
[xxix] Over Latteur en de Stekense schandpaal, zie bijdrage van Jackie Thiron in d’EUZIE, 2e jg., nr. 3, p. 101.
[xxx] Zie Annaert, p. 23.
[xxxi] Volgens Annaert, p. 51, werd deze doopvont in 1834 geplaatst.
[xxxii] Annaert vermeldt (p. 24) het afkappen van krollen en bladeren van de kapitelen en het beplaasteren van de zuilen in 1804.
[xxxiii] Annaert vermeldt op p. 23 het vouten van de benedenkerk in 1767 en 1769.
[xxxiv] Zie Annaert, p. 37.
[xxxv] Zie Annaert, p. 23.
[xxxvi] Annaert vermeldt op p. 24 het dichtmetselen van de ramen van de zijkoren in 1828 en deze van het middenkoor in 1835, toen daar het nieuwe altaar werd opgericht dat er vóór de verbouwingswerken van Goethals nog stond.
[xxxvii] Annaert, p. 46.
[xxxviii] Annaert, p.45.
[xxxix] Annaert vermeldt als makers van de altaren en gestoelte Robert Van Caelenbergh uit Aalst als beeldhouwer en Remigius Goethals uit Gent als kunstschilder op p. 41 en terug Van Caelenbergh als maker van het gestoelte. Van Caelenbergh was een goede bekende van architect Goethals en zijn naamgenoot Remigius, die evenals Julius Goethals aan de Sint-Lucas-school in Gent zijn opleiding kreeg, was misschien wel een bloedverwant.
[xl] Deze meubelstukken werden niet door Paquay zelf bekostigd. Annaert vermeldt (zie p. 40) Coleta Van den Daele als schenkster van het hoofdaltaar, of bedoelt hij enkel de schenking van het tabernakel in verguld koper dat door de werkhuizen Van Rijswijck uit Antwerpen vervaardigd werd? Deze laatste schenking wordt ook vermeld in de ‘Gazet van Stekene’ van 13 augustus 1898, maar zonder vermelding van schenker. Aan de rechterzijde van het altaar is echter een messingplaatje aangebracht met volgende inscriptie: “Geschonken door Jufvr. Victorine Thuysbaert ter nagedachtenis harer ouders Mr Benignus Thuysbaert, Burgemeester van Stekene, overleden den 11e Juni 1868 en Jufvr. Ludovica Martens, overleden den 8e Maart 1895 (1898)”. Op de zijkant van het altaar van Onze-Lieve-Vrouw staat eveneens een messingplaatje met de vermelding: “Dono dedit ecclesiae Domina Felicitas De Wree 1898”. Op het Sint-Antoniusaltaar en het gestoelte vinden wij geen inscriptie terug, Annaert vermeldt respectievelijk (zie p. 42 en 48) Victorine Thuysbaert en Carolina Van Puyvelde als schenksters.
[xli] Bij Koninklijk Besluit van 10 maart 1898 werd het plaatsen van deze altaren en gestoelte toegestaan.
[xlii] Zie Gazet van Stekene van 23 en 30 oktober 1898.
[xliii] Over Gillis Frans Rooms zie Annaert p. 213 e.v. en ‘Gazet Van Stekene’ van 23 oktober 1898.
[xliv] Aloysius De Smedt, werd geboren te Stekene in 1834 en was achtereenvolgens surveillant te Deinze, leraar in Gijzegem, coadjutor en daarna onderpastoor in Aalter, pastoor in Zele-Heikant en, in 1888, pastoor van Kemzeke, waar hij overleed in 1905.
[xlv] In de Gazet van Stekene van hierboven staat J. Van Durme, maar we hebben goede redenen om aan te nemen dat het om Oscar Van Durme (°Eksaarde 1867-=Sint-Niklaas 1925) gaat en dat de mis die uitgevoerd werd zijn ‘Missa Nona’ was voor drie gelijke stemmen en orgel. Dit werk wordt als een van zijn gaafste werken aanzien; hij componeerde in totaal elf missen.
[xlvi] Doet de bron hier een foutieve vermelding van de voornaam en is hier Ghisleen Martens, de toenmalige koster bedoeld?
[xlvii] Annaert vermeldt (op p. 43) enkel het voorleggen van de plannen, de afwerking gebeurde na de uitgave van zijn boek.
[xlviii] We mogen er van uit gaan dat Van Caelenbergh en Goethals ook dit altaar hebben vervaardigd.
[xlix] Bij Koninklijk Besluit van 12 juli 1899 werd goedkeuring verleend tot het plaatsen van het altaar.
[l] De Gazet van Stekene vermeldt in haar editie van 20 januari 1900 dat het altaar klaar is en had in de editie van 4 februari 1899 reeds daarover vermeld: “Met trommelaars, fluitisten en dansende nar voorop trokken zij den Dinsdag der verledene week ter kerke, waar om 9 ure eene Plechtige Mis ter eere van hunnen H. Patroon, die welhaast hier, dank aan de achtbare familie Vydt, een allerprachtigst nieuw altaar zal bezitten, opgedragen werd.”
[li] In het verslag van de kerkraad van 3 juli 1898 lezen wij: “Gezien de oude autaren geene weerde hebben besluit de raad: de schilderijen zullen in de vernieuwde kerk bewaard blijven en toelating zal gevraagd worden om uitter hand of in openbare veiling de afbraak der oude autaren te verkoopen”. In de marge werd later toegevoegd: “Toegestaan door Permanente Deputatie op 3 December 1898 om uit ter hand te verkoopen.”
[lii] Annaert schrijft p. 39: “In 1759 wierd een nieuwe (Sint-Sebastiaans)-autaar gemaakt, waarin ... een beeld van de H. Martelaar in hout gesneden.”
[liii] Zie tekst in: Liber Amicorum Herman Heyse, d’EUZIE, elfde jaargang nr 1 & 2, p. 195 en foto in dezelfde jaargang, nr 3 & 4, p. 290.
[liv] De plaatsing van het Sint-Jozefsaltaar werd bij Koninklijk Besluit van 6 februari 1901 goedgekeurd.
[lv] In de brief van 22 november 1900 van deze commissie, in het kerkarchief staat: ‘Nous demanderons qu’au cours de l’exécution des travaux l’auteur diminue la hauteur de la predella, supprime le tabernacle qui est inutile et revoie le piédestal de la statue dont la forme n’est pas heureuse’. De basis van het retabel (predella in het italiaans) moest verkleind worden, het tabernakel moest verdwijnen en het voetstuk van het beeld van Sint-Jozef moest, wegens zijn ongelukkige vorm, herzien worden.