Heemkring d'EUZIE

Stekene  Kemzeke  Klein-Sinaai Koewacht  Hellestraat

Vlaamse volksnamen van planten - deel 13

 

“Heksenkruid, bescherm ons vee tegen ziekte en kwaad,

bescherm het vee van vroeg tot laat”

 

Harry Van Driessen en Hilde Meersschaert (tekeningen)

 

 

 

V

an iemand die een dagje ouder wordt zegt men wel eens: “Zijn levensboom vordert”. Met die levensboom bedoelt men ofwel een appelaar ofwel een perenboom. Beide behoren net als de lijsterbes en de meidoorn tot de appelfamilie.

 

In diverse landen en ook her en der in Vlaanderen werd bij de geboorte van een kind een levensboom aangeplant: een appelboom of jongensboom voor een jongetje en een perenboom of meisjesboom voor een meisje. Recentelijk is het quasi mogelijk geworden om bij het verwekken van een kind op voorhand het geslacht te bepalen, maar dit alles blijft nog een delicate en ingewikkelde aangelegenheid. Vroeger was alles veel eenvoudiger: waren er veel appels dan was de kans op een jongen groot; waren er veel peren dan was het moment aangebroken om te zorgen voor een dochter.

Alhoewel er in het "Heilig Land" nooit appelbomen groeiden, laat men in de westerse versie van het verhaal over het “Aards Paradijs” Adam in een appel bijten, de vrucht van de boom van goed en kwaad. Het klokhuis bleef echter in Adam zijn keel steken wat aanleiding was om de keelknobbel ook wel Adamsappel te noemen.

De vruchten van de lijsterbes zijn sierlijk, maar giftig voor de mens: berstbezen (“bersten” = sterven). De bladeren gelijken op die van de es: haveres(ch). De bessen zijn wel in trek bij lijsters en werden daarom geregeld gebruikt om deze vogels te vangen: lijsterbezenboom, lijsterbezieboom, lijsterbezenhout, kleksterkieëzen. Oude bessen worden ietwat slijmerig: kwalsterboom, kwalsterhout (“kwalster” = taai slijm). In Engeland, Schotland en Ierland is de lijsterbes algemeen gekend als “Witchwood”. Ook bij ons werd nog tot in de 19de eeuw een kruis van takken van het heksenhout opgehangen aan stallen, vaak samen met de spreuk: "Heksenhout bescherm ons vee tegen ziekte en kwaad, bescherm het vee van vroeg tot laat".

 

Ook bij het in gebruik nemen van een nieuwe stal gaf men aan de varkens of runderen een afkooksel van het heksenhout als bescherming tegen ziekte.

 

Dat meidoornstruiken behoorlijk stekelig zijn blijkt uit tal van volksnamen: door(n)hage, doornboom, deureshaag, doornhout, doreleer, hage(witte)doorn, prikkelbezeleer, spelledoorn, witte doorn, … Volgens sommigen geleken de vruchten op de ampullen die misdienaars aan de priester aanbieden: papenkannekens, papenpullekens. De bessen lijken inderdaad een beetje opgezwollen: spuk, spik, spikkebees (“spukken” = zwellen), doch hebben nauwelijks enige waarde en zijn in feite alleen goed voor de varkens: zwijnebeiers, verkensbezen. Alleen enkele vogelsoorten - vooral lijsters - pikken geregeld de bessen van de pikkebezeleer.

 

De pruimelaar en de sleedoorn behoren tot de Amandelfamilie, die nauw verwant is met de appelfamilie. De pruimelaar was destijds berucht als hoerenboom. Op de vooravond van 1 mei werd een krans van takken van de pruimelaar aan de deur gehangen van een meisje van lichte zeden. Smalend werd gezegd: "In of op een pruimelaar kan iedereen klimmen". De zure vruchten van de sleedoorn doen de lippen samentrekken: trekkebek. "Slee" is afgeleid van "sneeuw", het typische gevoel in de tanden na het eten van sterk zuur: sleeuwdoorns.

 

 



Overzicht

 

Vermelde families en soorten:

Malaceae (Appelfamilie): Appel (Malus sylvestris), Peer (Pyrus communis), Lijsterbes (Sorbus aucuparia) en Meidoorn (Crataegus spec.).

Amygdalaceae (Amandelfamilie): Pruim (Prunus domestica) en Sleedoorn (Prunus spinosa).

 

Vlaamse volksnamen (onderstreept: o.a. in Waasland en directe omgeving)

-Appel: levensboom, jongensboom, boom van goed en kwaad, appeleir, appeler, bosappel, appelpote

-Peer: levensboom, meisjesboom, pjerrenboom, pjerreler, pêrelêr, paerenboom, poor, perepote

-Lijsterbes: haveres(ch), berstbezen, lijsterbezenboom, lijsterbezieboom, lijsterbezenhout, kleksterkieëzen, spreeuwboom, kwalsterboom, kwalsterhout, kwelsterboom, heksenhout, sorbenboom

-Meidoorn: door(n)hage, dorenhaag, doreshaag, doornboom, deureshaag, doornhout, doornheut, doornlaar, dorenbuum, doreleer, hage(witte)doorn, prikkelbezeleer, spelledoorn, spillebezie, hupedoorn, witte doon, papenkannekens, papenpullekens, spuk, spik, spikkebees, spukdorens, zwijnebeiers, verkensbezen, pikkebezeleer

-Pruim: hoerenboom, eierpruim, mas(t)pruim, mierzelaan, noenakken, rege(l)(n)oten, rengeloten, Reine Claude, panoek

-Sleedoorn: sleeuwdoorns, trekkebek, dorebeust, doeleer, hondskrieke, sleembezen, slemen, slikkedoorn, sneeuwdoorns, sneeuwpruimkens, wil krieken, wilde preumkens, zwarte doorn


 

Nog gekend in steekproef Groot-Stekene:

Appel: appeler

Peer: pjerreler

Meidoorn: piekerweir

Sleedoorn: sleepruim

 

Belangrijkste andere volksnamen in Nederland:

Peer: biereboom

Lijsterbes: fluitjeshout, koetseblommen, siepenhout

Meidoorn: meitakken, peerdewepen, spekbezen, steenbezen

Pruim: kroozen, kwetsen

Sleedoorn: bekketrekkers, (s)moelentrekkers

 

Belangrijkste Middelnederlandse namen:

Appel: apel(boom)

Peer: peerboom, peeren, peyrboom

Lijsterbes: haveresschen, sorben(boom), suypeerboom

Meidoorn: haeghdoren, meijdoorne

Pruim: praumboom, pruymboom, pru(y)melere

Sleedoorn: slehedoren

 

 

 

Voor inleiding en literatuuropgave:

zie d'EUZIE, jg. 18, 1999, nr. 1